Het kerkelijk jaar

 

Het kerkelijk jaar begint op de eerste zondag van de advent.

Daarna volgen de grote feesten: Kerstmis, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren in een vaste cyclus. Het kerkelijk jaar eindigt met het feest van Christus Koning. In November vieren wij eerst Allerheiligen en de dag erna Allerzielen.

Het liturgisch kerkelijk jaar

Kerstmis is altijd vast op 25 en 26 december, de datum van het Paasfeest is afhankelijk van de maanstand.

Paaszondag valt altijd op de eerste zondag na de eerste volle maan na 21 maart (begin van de lente). Tal van feesten zijn gerelateerd aan Pasen, ook wat betreft de datum waarop ze gevierd worden. Dit varieert van Carnaval (7 weken voor Pasen) tot Pinksteren (7 weken na Pasen).

Allerheiligen is altijd op 1 november, maar is in Nederland geen vrije zondag en wordt daarom in onze parochie op de dichtnabij zondag gevierd.

 

In de loop van een jaar wordt in de liturgie alles wat God voor de mensen heeft gedaan, herdacht en/of gevierd.

Na het Tweede Vaticaans Concilie is er een lezingencyclus van drie jaar (A,B en C jaar) ingesteld. Hierdoor werd het mogelijk een groter deel van de H. Schrift te lezen. Er wordt voor het evangelie achtereenvolgens gelezen uit Mattheus (A-jaren), Marcus (B-jaren) en Lucas (C-jaren). C-jaren zijn door drie deelbaar.

Op bijzondere zondagen wordt vaak gelezen uit het evangelie van Johannes.
De eerste lezing is uit het oude-testament en meestal gekozen in overeenstemming met de evangelielezing.

De kleur van de liturgische kleding is afhankelijk van de tijd  door het jaar of het feest dat gevierd wordt.

 

De vier Stola kleuren

Groen is voor de gewone tijd door het jaar

Wit is er voor de feestdagen

Paars voor vaste en bezinningsdagen

Rood voor feesten van martelaren en het vuur van Pinksteren.